♫ I'm so lonesome I could die. ♪
Dit liedje kon Des horen, hoog boven het gebulder van de branding, als zij ’s ochtends voor dag en dauw haar wandeling deed langs het Noordzeestrand. (De grijze golven met hun witte schuimkoppen en inktzwarte vlekken - allemaal afgekeken van de meeuwen - kwamen onstuimig aangalopperen als wilden zij de hele kustlijn innemen om zich dan halsoverkop te bedenken en holderdebolder koers te zetten richting Engeland; een gedrag dat Des herkende: ter plekke een idee laten varen om ijlings te vluchten naar de overkant.) Het kwam aangewaaid. Het hing in de lucht. Het zat in haar kop! Zij probeerde het te negeren. Teruggaan! Zij dacht er niet aan!! Hoe lang of luid of indringend deze bede ook mocht weerklinken: Zij. Ging. NIET. Terug. Zij had zich hier genesteld, als blozende, blonde, bouncy, domweg onbezorgd gezonde, solide & rondborstige winkeldochter in de Molenstraat. Iedere dag, van 7 tot 6, verkocht zij versgebakken broodjes en pistolets, boterkoeken, oliebollen, roomsoezen, tompoezen, appelflappen, wunderwaffles, Limburgse vlaaien, Engelse drop en Veurnse babbelutten aan een schier eindeloze schare van vaste en gelegenheidsklanten. Zij had een klein kamertje boven de bakkerij, in de geur van versgeplukte bloemen en versgebakken brood, met uitzicht op de Kruidenier aan de overkant. Zij had twee lange, groene doorknoopschorten. Zij voerde lange gesprekken met de vaste klanten en op gezette tijden (zaterdagavond klokslag 7) werd zij mee uit genomen door Maurice, een vriend des huizes, een kale 50-ger met een buik als een biervat en het brein van een radijs, maar Maurice was goedhartig en goedlachs. Voor hem was het leven 1 schetterend feest. Boze dingen gebeurden enkel in Nooitgeweest. Zijn bestaan was 1 eindeloze, ononderbroken en zonovergoten keten van weken, maanden, jaren vol orde en regelmaat en met 1 wekelijke ‘estrabangsje’.
Een dergelijke alles platslaande, eendimensionale & geestdodende banaliteit was waar Des het meest behoefte aan had - en een plek, zo ver mogelijk weg, met het continent in haar rug en voor haar een belachelijke megamassa water - na alles wat er zich zoal had voorgedaan. De bakkerij in B. was in dit opzicht een zegen. De bakker en zijn vrouw spraken een curieus taaltje: ‘Houw!, houw!’ (een toverwoord; als je dat kon imiteren, hoorde je erbij) aan het begin en/of eind van zowat iedere zin. En 'strange, kobbe, kabots, snelle (≠snel), keppe, stuute, lukke, buzze, wuf, wijs (≠wijs), neig, jakke, benink, toekter, koeketiene, almeteki, urt...' ??? (En 'noemen' zeggen als ze 'heten' bedoelden in een zinsbouw die al lichtelijk naar het Engels afgleed en naar 1 betrekkelijk voornaamwoord: die; een gebruik die Des de wubbe bezorgde.) Om 4 uur in de ochtend startte de bakker zijn dag met het stoken van de oven. Om 4 uur in de 'nanoen' sloot hij af met het winnen van de tiercé. 'Binst' deed de bakkersvrouw de was en de plas en bracht de winkeldochter de waar aan de man. ’s Zondags en Driekoningen of Allerzielen en alle andere godvergeten dagen: een rimpelloos bestaan aan de waterkant. Luisterend naar het oeverloze, kant noch wal rakende gesnater van Maurice besefte Des dat het leven, soms, voor sommige zielen, simpel kon zijn - 'de grijze zee sleept al het leed met zich mee' - een kinderspel, met de diepgang van een plas, terwijl zij op haar ochtendlijke wandelingen met die indringer in haar kop zat, die stem, die er steeds harder op aandrong dat zij hier haar biezen zou pakken om opnieuw naar de hoofdstad te verkassen… NOW!